Waarneming en doelopsporing bij de veldartillerie

Sinds de Eerste Wereldoorlog is een eenheid artillerie in principe opgebouwd uit drie elementen. Ten eerste zijn er de voorwaartse waarnemers, die ver verwijderd van de vuurmonden de te bestoken doelen waarnemen en de positie ervan bepalen. Ten tweede is er het vuurregelingscentrum (VRC), waar met behulp van de gegevens die de waarnemer doorgeeft de schietgegevens voor de vuurmonden worden bepaald. Tot slot zijn er de vuurmonden zelf, die met de door het VRC berekende schietgegevens vuur uitbrengen om het waargenomen doel te bestrijden. Het gehele proces dat uiteindelijk leidt tot het daadwerkelijk en effectief uitbrengen van artillerievuur begint met de waarneming van mogelijke doelen. Deze pagina besteedt aandacht aan de waarneming en doelopsporing bij de Nederlandse veldartillerie. 

  

Van waarneming tot uitwerkingsvuur

Waarnemers van de 41 Afdva, Munster Sud, 1984 - Klik om te vergrotenVereenvoudigd komt het gehele proces van doeldetectie tot het daadwerkelijk beschieten van een doel op het volgende neer. De voorwaartse waarnemers nemen een positie in van waaruit ze (mogelijke) doelen op een veilige afstand goed kunnen observeren. Ze vormen als het ware 'de ogen' van de artillerie-eenheid. Vaak op kilometers afstand van de plek waar de vuurmonden in stelling (komen te) staan. In vroeger tijden waren een verrekijker, een kompas en stafkaarten de belangrijkste hulpmiddelen bij de bepaling van de coördinaten van een doel, later kwamen daar een laserafstandsmeter, laservolgunit en GPS bij. Als de positie van het te bestoken doel is bepaald, vraagt de waarnemer vuur aan bij het VRC. In het VRC wordt de vuuraanvraag van de waarnemer verwerkt tot een vuurcommando voor de vuurmonden. Meer informatie over het VRC en de wijze waarop de schietgegevens voor de vuurmonden worden bepaald, is te vinden op de pagina over vuurregeling. Op basis van het vuurcommando worden in de stukken de gevraagde projectielsoort en hoeveelheid voortdrijvende lading aangebracht en wordt de schietbuis ingesteld. Vervolgens wordt er gevuurd. 

Waarnemers van de 41 Afdva, jaren '90 - Klik om te vergrotenEr zijn echter allerlei factoren die ervoor kunnen zorgen dat het vuur het doel (net) niet treft. Zo kunnen bijvoorbeeld weersinvloeden of afwijkingen in de munitie ervoor zorgen dat de granaten niet op het doel vallen. Daarom wordt er vaak gekozen om eerst één vuurmond op basis van de berekende gegevens een serie schoten af te laten geven. De waarnemers kunnen dan zien waar deze terechtkomen en correcties aan het VRC doorgeven, dat op haar beurt gecorrigeerde schietgegevens berekent voor de stukken. Dit proces, het zogenaamde inschieten, gaat net zo lang door totdat het raak is, waarna de volledige eenheid in haar geheel een zogenaamd uitwerkingsvuur uitbrengt.

  

Waarneming vanaf de grond 

Het werk van de voorwaartse waarnemers is van oudsher een riskante job. De waarnemers bevinden zich relatief dicht bij de beoogde doelen en de vijand is zich er van bewust dat ze ‘de ogen’ van de artillerie-eenheden vormen. In een oorlogssituatie zijn waarnemers dan ook gewilde doelen voor de vijand. Bovendien werd er met name in het verleden regelmatig gebruik gemaakt van vaste waarnemingsposten, die als belangrijk nadeel hadden dat ze wellicht ook bij de vijand precies bekend waren. Voordelen waren er ook: de posities van deze posten waren vooraf goed ingemeten, hetgeen vooral bij inschieten van pas kon komen. Het inmeten van de inslagen geschiedde dan vanuit twee vaste waarnemingsposten, hetgeen de kwaliteit van de metingen ten goede kwam. Tegenwoordig is het belang van vaste, vooraf ingemeten waarnemingsposten een stuk kleiner. De bepaling van de eigen positie is eenvoudig uit te voeren m.b.v. een GPS (Global Positioning System, positiebepaling via satelliet). 

Een YPR-765 - Klik om te vergrotenSinds 1979 is het pantserrupsvoertuig YPR-765 (in de verkenningsuitvoering) het standaard vervoermiddel van voorwaartse waarnemers. De YPR-765 wordt de komende jaren uitgefaseerd bij de Koninklijke Landmacht.

Zoals gezegd waren in vroeger tijden een verrekijker, kompas en stafkaart de belangrijkste hulpmiddelen van de waarnemer, later uitgebreid met apparatuur zoals een laserafstandsmeter, laservolgunit en GPS. Van oudsher zijn er echter ook andere manieren om vijandelijke doelen te lokaliseren. Zo kende het Nederlandse leger reeds voor de Tweede Wereldoorlog de zogenaamde Artillerie Meet Compagnie. Deze eenheid was gespecialiseerd in het inmeten van vijandelijke artillerie door middel van geluid of licht. Bij geluidsmetingen werd geprobeerd de richting en de plaats te bepalen op basis van het geluid van vurende vijandelijke vuurmonden. Echt precisiewerk was dit niet, nog afgezien van de problemen die er waren om de in te meten geluiden te isoleren van overig geluid. Bij lichtmeting werd geprobeerd de locatie van de vijandelijke artillerie in te meten aan de hand van de mondingsvlam. Ook dit was niet erg precies. Het lokaliseren van mortieren was nagenoeg onmogelijk vanwege de geringe mondingsvlam en -knal.

Mortier Opsporingsradar van de 101e Artillerie Ondersteuningsbatterij in Bosnie - Klik om te vergrotenNa de Tweede Wereldoorlog bleef de doelopsporingscapaciteit een continu probleem, ook al werden de technische mogelijkheden steeds groter. Zo werd in 1953 de mortieropsporingsradar AN/MPQ-10A ingevoerd, die behoorlijk effectief was in het lokaliseren van mortieropstellingen en ook in veel gevallen artillerie kon lokaliseren. De reikwijdte van deze moderne doelopsporingsapparatuur bleef echter achter op de steeds langere dracht van de vuurmonden, waardoor het geschut niet maximaal kon worden benut. De invoering van de artillerie- en mortieropsporingsradar AN/TPQ-36 (KL/TPQ-6098) in 1984 kon daar weinig aan veranderen. Het gebrek aan afdoende middelen om ver voorbij het front snel en nauwkeurig doelen op te sporen, bleef in de navolgende decennia een probleem, tot op de dag van vandaag. 

Tot 2011 beschikte de artillerie over een eigen doelopsporingseenheid. In de vooroorlogse jaren was dat de Artillerie Meet Compagnie; in 2011 was dat de 101e Artillerie Ondersteuningsbatterij. Doelopsporing middels licht- en geluidsmeting behoorden inmiddels tot het (verre) verleden. De 101e Artillerie Ondersteuningsbatterij werkte uitsluitend nog met radars voor de detectie van vijandelijke granaten, mortieren en raketten. In mei 2011 viel het doek voor de 101e Artillerie Ondersteuningsbatterij. De batterij, die na bezuinigingen in de voorgaande twintig jaar reeds was uitgekleed tot drie doelopsporingspelotons met in totaal zeven wapenlocatieradars, sneuvelde in de toenmalige bezuinigingsslag. De taken en systemen werden overgedragen aan het Commando Luchtdoelartillerie (CoLua).  

  

Waarneming vanuit de lucht

Een RPV wordt afgeschoten op het Artillerie Schietkamp - Klik om te vergrotenNaast de 101e Artillerie Ondersteuningsbatterij kende de artillerie nog een onderdeel dat zich met doelopsporing bezighoudt: de 101e Remote Piloted Vehicle Batterij. Deze batterij beschikte over Remote Piloted Vehicles (RPV’s), ook wel Unmanned Aerial Vehicles (UAV's) genoemd. Dit zijn op afstand bestuurbare, onbemande vliegtuigjes die zijn voorzien van een camera. De camerabeelden worden naar een grondstation verzonden, waar iemand de beelden analyseert. Door de cursor op een doel te plaatsen, kunnen de coördinaten ervan worden bepaald. Deze doelinformatie kan dan worden gebruikt door een artillerie-eenheid.

De historie van de 101e Remote Piloted Vehicle Batterij begint op 1 maart 1998, als de 101 RPV Compagnie wordt opgericht. Eind 1999 werd het onderdeel ingedeeld bij de veldartillerie en kreeg het zijn uiteindelijke naam. De RPV's hadden al in 1998 operationeel moeten zijn, maar dat wilde niet erg lukken. De aanschaf van de Sperwer, een RPV van de Franse firma Sagem, Raven UAV - Klik om te vergrotenleek aanvankelijk een miskleun. De door de landmacht gewenste aanpassingen verliepen moeizaam en diverse testvluchten mislukten. De problemen bleken echter oplosbaar, waarna de Sperwers jarenlang naar tevredenheid ingezet zijn geweest. Van 2007 tot 2009 werd de Sperwer ingezet in Uruzgan, Afghanistan. De Nederlandse troepen aldaar (als onderdeel van de Task Force Uruzgan) hadden met de Sperwer een goed middel om inlichtingen te vergaren ter ondersteuning van de grondtroepen. Vanwege de hoge exploitatiekosten was de Sperwer niet meer operationeel te houden en werd deze in de juni 2012 uitgefaseerd. De 101e RPV Batterij heeft met zijn Sperwers totaal 1151 vlieguren gemaakt, verdeeld over 601 vluchten. Hiervan is het merendeel in Afghanistan gevlogen: 713 vlieguren in 285 vluchten. UAV's van het type Scan Eagle dienen de komende jaren als tussenoplossing tot de opvolger van de Sperwer binnen is.

Sinds medio 2008 beschikte de 101e RPV Batterij over een mini-UAV van het type Raven RQ-11B. Dit observatievliegtuigje heeft Een riskante manier van waarnemen: Britse artilleriewaarnemers tijdens WO I - Klik om te vergroteneen spanwijdte van 1,4 meter, is 90 centimeter lang en weegt slechts 1,9 kilo. De RQ-11 wordt gelanceerd door hem in de lucht te gooien als een modelvliegtuigje. Het kan zelfstandig landen. De Raven kan worden bestuurd via een grondstation (laptop),  maar is ook in staat zelfstandig te vliegen met GPS-waypoints. De operator op het grondstation voert dan coördinaten in op digitale kaarten, waarna de UAV automatisch een route kan vliegen of rond een punt kan blijven rondcirkelen. Met de grote reorganisaties van 2012 werd de 101e RPV Batterij omgevormd tot  de 107e Aireal Systems Battery, onveranderd gelegerd in 't Harde.

Waarneming vanuit de lucht is overigens een verre van nieuwe wijze van waarnemen. Vliegtuigen doen dit al decennia. Op de foto hiernaast is te zien hoe Britse artilleriewaarnemers tijdens de Eerste Wereldoorlog een zeppelinachtige ballon gebruikten om vanuit de lucht te observeren. In die tijd was dat een vaker voorkomende wijze van waarneming. Ook aan de zijde van de Duitsers werden dergelijke ballonnen door waarnemers gebruikt. 

  

Heden & toekomst

Zoals reeds genoemd is doelopsporing sinds jaar en dag een probleem, met name de opsporing van doelen op grotere afstanden. Ook nu is dit nog het geval. De veldartillerie beschikt weliswaar over de mortieropsporingsradars AN/TPQ-36, die nog in het voormalige Joegoslavië met succes zijn ingezet (zie foto hierboven), maar deze apparaten zijn inmiddels verouderd. 

Waarnemers observeren inslagen, eind jaren '90 - Klik om te vergrotenIn 1984 werd reeds gestart met een project om het probleem van doelopsporing in de diepte op te lossen. Zoals het projecten bij de landmacht betaamt, zat hier echter weinig schot in. De behoeften veranderden regelmatig en daarmee de doelen van het project. In 1999 kwam men op een totale behoeftestelling van negen medium-range doelopsporingsradars en besloot men dat een doeltreffende bestrijding van grondwapensystemen zich tot het brigadeniveau moest beperken. Realisatie van één en ander heeft echter nooit plaatsgevonden. Wel hebben de AN/TPQ-36's in 2008 een uitgebreide upgrade ondergaan, waardoor ze onder andere verder kunnen 'kijken'.

Succes was er in het streven naar waarneming waarbij de voertuigen van de waarnemers beschikken over een geïntegreerd geheel van optische instrumenten, dat is gekoppeld aan plaats- en richtingbepalende apparatuur. Doel: zorgen dat de waarnemer snel, nauwkeurig en onder pantser doelen kan lokaliseren, waarna met behulp van het vuursteuninformatiesysteem kan worden overgegaan tot de bestrijding van deze doelen. Na jaren van ontwikkeling werd de beoogde waarnemingsopbouw bereikt, bestaande uit een centrale computer, warmtebeeld- en daglichtcamera's, een laserafstandsmeter, GPS-apparatuur en beeldschermen voor de visuele representatie van informatie. Eén en ander werd geplaatst in de Fennek, het voertuig dat in 2007 zijn intrede deed bij de veldartillerie.

De Fennek - Klik om te vergrotenDe Fennek is een verkennings- en bewakingsvoertuig, dat samen met Duitsland is ontwikkeld. Het is een 2x4 voertuig met de mogelijkheid om bij te schakelen naar 4x4 voor in het terrein. De bewapening bestaat uit een .50 machinegeweer en 40 mm automatische granaatwerpers. De instroom van Fenneks bij de in de Koninklijke Landmacht is in 2005 gestart. De instroom van de Fennek-VWWRN, een versie specifiek voor voorwaartse waarnemers bij de artillerie, startte in maart 2007, toen de waarnemers van de 14e Afdeling Veldartillerie werden uitgerust met het nieuwe voertuig. Veel later had deze instroom niet moeten starten, want de oude YPR 765's hadden al jaren daarvoor het einde van hun technische en operationele levensduur bereikt en waren nog nauwelijks inzetbaar. 

De invoering van de Fennek laat onverlet dat er behoefte blijft aan betere doelopsporingsradars. Tevens is er behoefte aan gevechtveldbewakingsradars. Deze speuren niet alleen naar bewegende doelen, maar verschaffen ook een totaalbeeld van wat er zich in de diepte van het vijandelijke gebied afspeelt.

Media: 
Klik om te openen Foto's: waarneming en doelopsporing bij de veldartillerie
Klik om te openen Foto's: oefening waarneming artillerievuur door Sperwer UAV, Uruzgan, 2007
Klik om te downloaden Filmpje: Sperwer RPV waarnemingsvliegtuig, 101 RPV Batterij
Klik om te downloaden Filmpje: Fennek verkenningsvoertuig, 2005
Klik om te downloaden Filmpje: oefenvluchten Sperwer bij NOS Journaal, 4 april 2008
Klik om te downloaden Filmpje: oefenvluchten Sperwer bij RTL Nieuws, 4 april 2008
Klik om te downloaden Filmpje: Sperwer in Afghanistan, 2008 (bron: Audiovisuele Dienst Defensie)

Naar de homepage van 41 AfdVa C-bt 87-1/2Home