Vuurregeling bij de veldartillerie

De doeltreffendheid van artillerievuur is afhankelijk van vele factoren. Belangrijke schakel in het snel en accuraat uitbrengen van artillerievuur is sinds jaar en dag de vuurregeling. Vuurregeling is het proces waarin op basis van gegevens over het te bestoken doel de schietgegevens voor het geschut worden geproduceerd. Deze pagina gaat in op het vuurregelingsproces en de wijze waarop dit bij de Nederlandse veldartillerie werd en wordt toegepast, van het volledig handmatige werk vroeger tot aan de grotendeels geautomatiseerde systemen nu. 

  

Indirect vuur: van waarneming tot uitwerkingsvuur

Waarnemers van de 41 Afdva, jaren '80 - Klik om te vergrotenTot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog werd er bij de Nederlandse artillerie voornamelijk met directe richting geschoten. Dit betekende dat de doelen zichtbaar waren vanaf het geschut en dat het richten er simpel gesteld op neer kwam dat het doel ‘op de korrel’ werd genomen en werd bestookt. Toen na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de Nederlandse artillerie paraat was en moest blijven, zonder in actie te hoeven komen, werd de tijd benut om de mogelijkheden van het vuren met indirecte richting verder te onderzoeken en tot een goede methode hiervoor te komen. Vuren met indirecte richting betekende dat doelen buiten het gezichtsveld konden worden bestookt en dat daarmee ook verder gelegen doelen konden worden bestreden. Het krombaangeschut, oftewel de houwitsers, leende zich hier uiteraard het best voor. Een aantal verbeteringen op materieel vlak bracht effectief indirect vuur een stuk dichterbij. Ten eerste was er het richttoestel ‘Van Essen’. Hiermee konden vuurmonden gericht worden zonder de tot dan toe gebruikelijke optische methode van richten. Ten tweede was er de veldtelefoon. Aangezien voor het richten natuurlijk wel gegevens nodig waren over het doel, werden waarnemers ingezet, die vanuit een vooruitgeschoven post het doel konden observeren. Met de veldtelefoon was er eindelijk een goed communicatiemiddel.

Het indirecte vuren nam een behoorlijke vlucht, waarmee sinds de Eerste Wereldoorlog een eenheid artillerie feitelijk over het algemeen is opgebouwd uit drie elementen. Ten eerste zijn er de voorwaartse waarnemers, die ver verwijderd van de vuurmonden de te bestoken doelen waarnemen en de positie ervan bepalen. Ten tweede is er het vuurregelingscentrum (VRC), waar met behulp van de gegevens die de waarnemer doorgeeft de schietgegevens voor de vuurmonden worden bepaald. Tot slot zijn er de vuurmonden zelf, die met de door het VRC berekende schietgegevens vuur uitbrengen om het waargenomen doel te bestrijden. Overigens werd deze driedeling niet altijd gehanteerd, zoals bijvoorbeeld in de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog, toen de landmacht naar Brits voorbeeld opnieuw werd opgebouwd. In het 'Britse systeem' was vuurregeling een taak van de batterijcommandant, die tevens als waarnemer fungeerde. 

  

De ‘klassieke’ vuurregeling 

Een batterij-VRC, Munsterlager, 1956 - Klik om te vergrotenVuurregeling laat zich het best uitleggen aan de hand van de ‘klassieke’, ongeautomatiseerde vuurregeling, zoals die in wezen vanaf begin jaren '50 tot begin jaren ’90 in Nederland is toegepast. Aangezien vuurregeling onderdeel is van het algehele proces van doeldetectie tot het daadwerkelijk beschieten van een doel, komen ook deze aspecten aan bod. 

Het gehele proces van doeldetectie tot het daadwerkelijk beschieten van een doel komt op het volgende neer. De voorwaartse waarnemers nemen een positie in van waaruit ze (mogelijke) doelen op een veilige afstand goed kunnen observeren. Ze vormen als het ware 'de ogen' van de artillerie-eenheid. Vaak op kilometers afstand van de plek waar de vuurmonden in stelling (komen te) staan. Meer informatie over waarneming en doelopsporing is te vinden op de pagina over waarneming
bij de veldartillerie. Als de positie van het te bestoken doel is bepaald, vraagt de waarnemer vuur aan bij het VRC. Het VRC is als het ware 'het brein' van de artillerie-eenheid. Dit kan in een VRC op afdelingsniveau gebeuren, of in het VRC van een vuurmondbatterij. Het batterij-VRC regelt dan het vuur voor de eigen batterij of voor de gehele afdeling, als bijvoorbeeld het afdelings-VRC is uitgevallen. In het VRC verwerkt het vuurregelingspersoneel onder leiding van een officier de vuuraanvragen tot een vuurcommando voor de vuurmonden. 

VRC Charly-batterij 44 Afdva, ca 1962 - Klik om te vergrotenHet VRC heeft naast de gegevens uit de vuuraanvraag, zoals de coördinaten van het doel, echter ook informatie nodig over de stelling waarin de vuurmonden zich bevinden. Zonder informatie over de eigen positie kunnen de richting en afstand tot het doel uiteraard niet worden bepaald en kunnen geen schietgegevens worden berekend. De informatie over de eigen stelling wordt bepaald door de terreinmeetdienst (TMD) die met behulp van bepaalde instrumenten en apparatuur de coördinaten van een punt midden in de stelling (het zogenaamde nulpunt) en de hoofdrichting van de vuurmonden (de zogenaamde kaarthoekhoofdrichting) bepaalt. De stukken worden vervolgens als het ware 'geijkt' ten opzichte van deze twee gegevens (een proces op zich). Ook voor het VRC vormen beide gegevens referentiepunten in de berekening van de schietgegevens. Zo is de zijdelingse richting van de schietbuis die het VRC voor de stukken bepaald, een waarde t.o.v. een nulstand, die op zijn beurt weer is bepaald op basis van de door de TMD bepaalde hoofdrichting. De kwaliteit van de terreinmeting is dus één van de factoren die van groot belang zijn voor de trefkans van een artillerievuur. 

Het VRC zal vaak reeds voor de eerste vuuraanvraag zijn voorzien van de gegevens van de door de TMD ingemeten batterijstellingen. Deze gegevens, de nulpunten en de kaarthoekhoofdrichting van de batterijstellingen, worden vervolgens op een vuurkaart ingetekend, net als de locaties van de vaste waarnemingsposten, de voorwaartse waarnemers en het doel uit de vuuraanvraag. Deze vuurkaart is niets anders dan een groot stuk ruitjespapier waarop ieder vierkant een vierkante kilometer voorstelt. M577A1, VRC van de 41 Afdva Alpha Batterij, 1972 - Klik om te vergroten Op basis van deze vuurkaart kan de afstand en de hoekmeterstand (zijdelingse richting) worden bepaald met behulp van een waaierhoekmeter, een soort combinatie van een liniaal en een gradenboog. Met behulp van een terreinhoeklineaal wordt het hoogteverschil omgezet in een terreinhoek. De elevatie van de schietbuis (richthoek) wordt vervolgens opgezocht in de schootstafel. Dit is een (vuurmondspecifiek) boekwerk waarin voor iedere lading tabellen staan met daarin afstanden en de bijbehorende richthoek. Hiermee wordt ook direct bepaald hoeveel voortdrijvende lading de stukken nodig hebben om de afstand tot het doel te overbruggen. Door de richthoek en de terreinhoek op te tellen krijg je de zogenaamde kwadranthoek. De kwadrant- en richthoek zijn in principe de standen die de vuurmonden in moeten stellen om de schietbuis te richten. Indien nodig brengt het VRC nog een correctie op deze standen aan op basis van een actueel meteobericht, mits beschikbaar. De schootstafel gaat namelijk uit van ‘standaard’ weersomstandigheden en het VRC kan afwijkende weersinvloeden enigszins verrekenen. 

Het vuurcommando dat uiteindelijk ten behoeve van het uitwerkingsvuur door het VRC aan de batterijen wordt gegeven, bevat een aantal vaste elementen, zoals de hoekmeterstand, de kwadranthoek, de projectielsoort en de zwaarte van de voortdrijvende lading. Op basis van het vuurcommando wordt het geschut geladen en gericht, waarna kan worden gevuurd. 

Interieur M577A1, VRC van de 41 Afdva C-Bat, 1987  - Klik om te vergrotenEr zijn echter allerlei factoren die ervoor kunnen zorgen dat het vuur het doel (net) niet treft. Zo kunnen bijvoorbeeld de reeds genoemde weersinvloeden, afwijkingen in de munitie, slijtage van de schietbuizen of schommelingen in de kruittemperatuur ervoor zorgen dat de granaten niet op het doel vallen. Met deze invloeden kan in de berekeningen van het VRC enigszins rekening worden gehouden, maar de kans dat in één keer het doel wordt getroffen is vrij klein. Daarom wordt er vaak gekozen om eerst één vuurmond op basis van de berekende gegevens een serie schoten af te laten geven. De waarnemers kunnen dan zien waar deze terechtkomen en correcties aan het VRC doorgeven. Deze correcties worden in het VRC dan weer verrekend, waarna de nieuwe kwadranthoek en hoekmeterstand weer aan de vuurmonden worden doorgegeven en kan worden gevuurd. Dit proces, het zogenaamde inschieten, gaat net zo lang door totdat het raak is, waarna de volledige eenheid in haar geheel een zogenaamd uitwerkingsvuur uitbrengt. 

Bij het ontbreken van correctiegegevens of bij onnauwkeurige bepaalde coördinaten van een doel, wordt al snel gekozen om in te schieten. De voorwaartse waarnemer leidt dan met zijn correcties het vuur naar het doel, waarna uitwerkingsvuur kan worden afgegeven. Het voordeel van inschieten is dat betrekkelijk snel, bijvoorbeeld na voltooiing van de eerste fase van het terreinmeten, doelen onder vuur kunnen worden genomen. Een groot nadeel is dat het uitwerkingsvuur niet meer als een verrassing komt. 

  

De schootstafelliniaal en de FADAC

Schootstafellineaal 155 mm - Klik om te vergrotenBovengeschetste handmatige wijze van vuurregeling heeft tot begin jaren ’90 stand gehouden. De weg naar modernere en meer geautomatiseerde vuurregeling bleek een uiterst moeizame. De voortdurend hogere eisen die in de naoorlogse decennia aan de snelheid en mobiliteit van de veldartillerie werden gesteld, betekenden weliswaar ook dat de vuurregeling sneller moest, maar dit wilde niet altijd erg vlotten.

Een verbetering was het vastleggen van de belangrijkste schootstafelgegevens op een zogenaamde schootstafelliniaal. Dit was een soort rekenliniaal waar de benodigde gegevens middels een schuif gemakkelijk opgezocht konden worden. Dit scheelde bladeren in de schootstafels zelf en werkte daardoor een stuk sneller.

Er kwam meer schot in de zaak toen de Koninklijke Landmacht in 1966 de Field Artillery Digital Automatic Computer (de FADAC, type M 18) bestelde voor haar parate afdelingen veldartillerie. De FADAC's werden ingedeeld bij de afdelings-VRC's, de batterij-VRC's kregen ‘m niet. De FADAC was Amerikaans product, dat door één man was te bedienen en schietgegevens kon berekenen, die daarvóór nog met behulp van tabellen, linialen en handmatig rekenwerk moesten worden bepaald.FADAC - Klik om te vergroten De vuurregeling gebeurde hierdoor sneller en de kans op fouten werd kleiner. Uiteraard moesten de ingevoerde gegevens wel kloppen, want met verkeerde coördinaten van de vuurmondbatterijen of van de doelen, of met bijvoorbeeld een foutief gewicht van het projectiel, kon de FADAC uiteraard geen correcte schietgegevens berekenen.

Een andere aanwinst was de Terma Doppler, een radar waarmee de aanvangssnelheid (V0) van afgevuurde projectielen kon worden gemeten. De aanvangssnelheid, die door allerlei omstandigheden kan variëren, is medebepalend voor de afstand die een granaat aflegt. De FADAC voorzag in de mogelijkheid deze aanvangssnelheid mee te nemen in de berekening van de schietgegevens.

  

Verdere modernisering & automatisering

In 1984 werd de doelopsporingscapaciteit vergroot door de aanschaf van moderne mortieropsporingsradars. Tevens werd nieuwe meteosysteem Sirocco ingevoerd, hetgeen betekende dat het VRC met nauwkeurigere meteoberichten kon werken en dus de kwaliteit van de berekeningen van schietgegevens kon verhogen. De doelopsporingscapaciteit bleef echter een probleem.HP-41 CV - Klik om te vergroten De lange dracht van de vuurmonden kon namelijk niet maximaal worden benut door het gebrek aan afdoende middelen om ver voorbij het front snel en nauwkeurig doelen op te sporen. Daarnaast begon de vuurregeling een probleem te worden. De FADAC schoot inmiddels tekort, waardoor de vuurregeling een te trage schakel in het geheel vormde. Reeds in 1973 werd gestart met het project voor de vervanging van de FADAC. In 1983 leidde het project tot de bestelling van een prototype computers met datatransmissie bij Hollandse Signaalapparaten, in te voeren bij zowel de afdelings- als batterij-VRC's. Vooral de datatransmissie zou een gigantische verbetering betekenen ten opzichte van het de bestaande mondelinge gegevensuitwisseling. De geplande proefnemingen van het prototype werden echter keer op keer uitgesteld, vanwege technische problemen met het prototype en dan met name met de datatransmissie. De grote vertraging in het project betekende dat de FADAC aanbleef en dat de vuurmondbatterijen handmatig bleven werken. De FADAC was echter 'hoogbejaard' en nauwelijks operationeel te houden. Daarnaast was het handwerk in de batterij-VRC's eveneens niet echt 'modern'. Tijdens oefeningen met buitenlandse artillerie-eenheden leverde dit soms schrijnende taferelen op: hoe snel de Nederlandse batterij-VRC's ook rekenden, de buitenlandse batterijen waren altijd sneller gereed om te vuren.HP-71 - Klik om te vergroten Enige verlichting werd in 1984 geboden toen bij een aantal VRC's de rekenmachine Hewlett Packard 41 CV werd ingevoerd. In 1988 werd de HP-41 CV vervangen door een andere programmeerbare rekenmachine, de HP-71. Bovendien kreeg nu ook een aantal batterij-VRC's de beschikking over deze rekenmachine.  Een grote vooruitgang ten opzichte het volledige handwerk. De HP-71 kon slechts meetgegevens berekenen, maar kon dat in tegenstelling tot de HP-41 CV ook voor de inmiddels ingevoerde nieuwe munitietypen. De gegevens uit de vuuraanvraag van de waarnemer werden in het VRC in de HP-71 ingevoerd, waarna de meethoekmeterstand en de afstand tot het doel uit de printer rolden. Deze gegevens werden vervolgens met een schootstafelliniaal omgerekend naar een kwadranthoek en een richthoek. De aldus bepaalde schietgegevens werden vervolgens aan de stukken doorgegeven. Na het vuren werden de correcties van de waarnemer ingevoerd in de HP-71, enzovoorts.

In 1989 werd de 'antieke' FADAC definitief uitgefaseerd, zonder dat er afdoende vervanging was. De uit de jaren '70 stammende projecten die zich bezig hadden gehouden met de vervanging van de FADAC waren dan ook jammerlijk mislukt. Inmiddels liep alweer geruime tijd het project VUIST, dat zich richtte op de invoering van een geautomatiseerd VUursteunInformatieSysTeem. Een dergelijk systeem was iets voor de langere termijn, terwijl er op korte termijn wel degelijk iets verzonnen moest worden voor het wegvallen van de FADAC.VUVA-PC  - Klik om te vergroten In 1989 werd er een tussenoplossing beproefd: een heuse personal computer, die de VUVA-PC (VUurregeling VeldArtillerie Personal Computer) werd gedoopt. De VUVA-PC was een 16 MHz 80386 portable computer van Toshiba, in de burgerwereld bekend als de T3100SX. In 1991 waren alle afdelingen voorzien van de VUVA-PC. De VUVA-PC kon net als de FADAC schietgegevens berekenen en kon dit bovendien voor iedere vuurmond apart. 

Ten gevolge van de reorganisatie van de veldartillerie begin jaren '90, waarbij de afdelingen werden teruggebracht naar twee batterijen met ieder twee relatief zelfstandig opererende pelotons van vijf vuurmonden, werden de afdelings- en batterij-VRC's afgeschaft. Wat resteerde was een afdelingscommandopost waar de vuuraanvragen binnenkwamen en waar deze vervolgens werden verdeeld over de vuurmondpelotons, het Vuurleidingscentrum (VLC). In de pelotons-VRC's vond vervolgens de vuurregeling plaats met behulp van de VUVA-PC. Per afdeling had je dus vier vuurregelingscentra, met ieder een VUVA-PC. Net als de vroegere VRC's waren deze ondergebracht in M577's.

 

VUIST

VUVA-PC van de 11 Afdra - Klik om te vergrotenHet project VUIST wilde ook in de jaren '90 niet erg vlotten. Er werd besloten een Israëlisch systeem aan te schaffen dat door Alcatel Nederland aan de Nederlandse eisen werd aangepast. Dit leverde echter dusdanige problemen op, dat de invoering van VUIST-1 keer op keer vertraging opliep. Ondertussen bleef de VUVA-PC als tussentijdse oplossing gehandhaafd. Pas in maart 1999, 26 jaar nadat het project voor de vervanging van de FADAC van start was gegaan, werd in de Legerplaats bij Oldebroek VUIST-1 officieel in gebruik genomen. De 41e Afdeling Veldartillerie was het eerste artillerieonderdeel dat VUIST-1 beheerste. Men was met name enthousiast over de geautomatiseerde datacommunicatie van VUIST-1, die het mondeling doorgeven en teruglezen van gegevens overbodig maakte. 

VUIST-1 bestaat uit een aantal een elkaar gekoppelde subsystemen die zijn ondergebracht bij onder andere de waarnemersgroepen, de meteodiensten, de radaropsporingsdiensten, de vuurregelingscentra en de vuurmonden bij de veldartillerie. Als een waarnemer een doel onderkent, stuurt hij de vuuraanvraag en de doelgegevens via VUIST-1 naar de ATAC (Artillery Tactical Computer) van het VLC. Hier word bekeken met welke munitie en met welke pelotons het doel wordt aangegrepen. Deze gegevens worden vervolgens doorgestuurd naar de ATAC van het VRC van het peloton. Deze berekent de schietstanden voor het peloton en verstuurt deze naar de vuurmonden, waarna deze kunnen schieten. Per afdeling zijn er vijf ATAC's (1x in het VLC en 4x in de VRC's), waarmee de ATAC de ruggengraat vormt van VUIST-1. Bij waarneming door RPVs worden doelen rechtstreeks ingevoerd in de FTAC (Forward Tactical Computer) van VUIST-1 en verder afgehandeld door VUIST-1 richting het VLC en de VRC's.  

ATAC-computer in peletons-VRC - Klik om te vergrotenDe invoering van VUIST-1 voorzag in de automatiseringbehoefte qua vuursteun op afdelingsniveau. Om aan de behoeften op de niveaus van de brigades en de divisieveldartilleriegroep te voldoen, waren in het VUIST-project oorspronkelijk een aantal vervolgfasen ingepland. Deze kwamen echter niet van de grond. De veranderende operationele rollen van de divisie en de brigades betekenden verschuivende eisen aan de te ontwikkelen systemen. Mede daardoor belandden de VUIST-vervolgfasen op een dood spoor. Inmiddels werd er wel gewerkt aan een ander vuursteuninformatiesysteem, AFSIS, waarover hieronder meer. Ook voor de doelopsporing en waarneming liepen er projecten, want op beide gebieden viel er veel te verbeteren en was betere integratie met het vuursteuninformatiesysteem een must. 

Vuurregeling werd met de komst van VUIST-1 nauwelijks meer herkenbaar als een aparte activiteit in de werkprocessen van een artillerie-eenheid, zoals dat decennia het geval was geweest. Het handwerk verdween en de technische vuurregeling werd volledig door de computer uitgevoerd. 

 

AFSIS

 

Zoals gezegd, werd reeds ten tijde van VUIST-1gewerkt aan een nieuw vuursteuninformatiesysteem ter ondersteuning van de gehele vuursteunketen tot op brigadeniveau. Het nieuwe systeem heette Advanced Fire Support Information System (AFSIS) en was bedoeld voor alle grondgebonden vuursteun, dus niet alleen voor de houwitsers bij de afdelingen artillerie. Belangrijk nieuw element in AFSIS was de tool waarmee de inzet van vuursteunmiddelen kon worden gepland en gecoördineerd. Verder werd gewerkt aan uitgebreide communicatiemiddelen om het mogelijk te maken dat voorwaartse waarnemers vuur direct aan konden vragen bij een vuursteunpeloton. Tevens werd gewerkt om het systeem geschikt te maken voor koppeling met de systemen van de grote NAVO-partners en maximale integratie met het Battle Management System (BMS), een systeem voor de informatievoorziening en de commandovoering van operationele eenheden tot op bataljonsniveau. 

 

De ontwikkeling en uitrol van AFSIS werd stapsgewijs ingepland, van ‘beneden’ naar ‘boven’, oftewel van vuurpelotonniveau tot aan brigadeniveau. De eerste invoering van AFSIS vond tegelijkertijd plaats met de invoering van de moderne houwitser PzH 2000 in 2006-2007. De PzH 2000 is dankzij allerlei moderne apparatuur in staat om zelf zijn richting en positie te bepalen en kan daarnaast op basis van doelinformatie uit het vuursteuninformatiesysteem volledig automatisch de schietbuis richten. Terreinmeetdiensten zijn hiermee overbodig en de vuurregeling in de VRC's stelt als zodanig niet veel meer voor. Samen met de komst van het geavanceerde waarnemingsvoertuig, begin 2007, betekent dit dat een afdeling artillerie razendsnel vuur kan uitbrengen. Vanuit de Fennek wordt relatief simpel de locatie van een doel vastgesteld, waarna een vuuraanvraag naar het commando-vuurleidingscentrum wordt verstuurd. De gegevens van de vuuraanvraag worden door AFSIS omgevormd tot een vuuropdracht die middels datatransmissie naar de PzH 2000 wordt gestuurd. De vuurmond hoeft slechts een geschikte positie in te nemen; de rest gebeurt geautomatiseerd. 

 

 

Media: 
Klik om te openen Foto' s: vuurregeling bij de veldartillerie
Klik om te downloaden Formulier FADAC, ca. 1985

 

Naar de homepage van 41 AfdVa C-bt 87-1/2Home