Uniformen van de artillerie

Deze pagina besteedt aandacht aan de uniformen bij de Nederlandse artillerie sinds de oprichting van het wapen in 1677.

  

De periode na de oprichting van het Wapen der Artillerie in 1677

De eerste uniformen waren feitelijk niet veel meer dan burgerkleding. In de periode rond de oprichting van het Wapen der Artillerie droeg de artillerist een vest, een korte pofbroek met kousen en een wijde jas met grote wijde mouwopslagen en koperen knopen. Meestal was blauw de hoofdkleur; alleen de schoenen en de breedgerande hoed waren dan zwart. Andere kleuren kwamen echter ook voor. Zo was bijvoorbeeld een oranje jas geen uitzondering. De officieren droegen dezelfde kledingstukken, maar dan van betere kwaliteit. Het vest, de broek en de kousen waren meestal rood en op de hoed stak een witte pluim. Belangrijk onderscheidende accessoire van de officier was een oranje sjerp, die om de middel werd gestrikt.

Kanonnier, 1775 - Klik om te vergrotenAanvankelijk veranderde de militaire kleding in de loop der jaren min of meer mee met de burgermode. Zo werd de jas wat korter en de snit wat slanker. De hoed veranderde geleidelijk in een driehoekige steek. Met de invoering van ‘gelijkvormige kleeding voor krijgslieden’, eind 17e eeuw, begon de militaire kleding zich meer te onderscheiden van de burgerkleding. Grofweg kan gesteld worden dat de uniformen in de navolgende decennia steeds ‘uitbundiger’ werden. Zo werd de hoed, die zich overigens steeds meer in de richting van een tweepuntige steek ging ontwikkelen, opgesierd met een zwarte kokarde en goudkleurige galons langs de randen. De jas werd uitgemonsterd met onder andere een rode kraag en er kwamen slobkousen, ‘s winters zwart en de rest van het jaar wit. Wit kreeg sowieso meer de overhand, want het vest en de broek werden wit en het leerwerk werd ook wit. Erg praktisch was deze witte kleding niet, dus werd weer overgestapt op de blauwe vesten en broeken. Ook de kleding van de officieren werd wat meer opgeleukt. Naast de oranje sjerp gingen officieren een gouden nestel op de rechterschouder dragen. De zwarte kokarde werd vervangen door een oranje strik. 

In 1793 werd de Rijdende Artillerie opgericht, een mobielere variant van de bestaande artillerie. Aanvankelijk droegen de rijdende artilleristen ongeveer hetzelfde uniform als de rest van het wapen, uitgezonderd de hoed. Die was breder en hoger dan die voor de korpsen te voet. Verder droegen de rijders hoge ruiterlaarzen. De officieren hadden een geel vest en gouden epauletten om zich te onderscheiden van de rest van de troepen.

  

Franse invloeden in het begin van de 19e eeuw

Kanonnier Rijdende Artillerie (1820) en kanonnier Artillerie (1808) - Klik om te vergrotenNadat de Fransen in 1795 ons land waren binnengevallen en de zogenaamde Bataafse Republiek stichtten, veranderden de uniformen weliswaar enigszins onder de Franse invloed, maar echt opzienbarend waren deze wijzigingen niet. Het meest in het oog springend was de invoering van een huzarenuniform voor de Rijdende Artillerie in het jaar 1804. De kleurstelling bleef onveranderd blauw met rode uitmonstering. Toen Napoleon in 1806 de Bataafse Republiek inlijfde bij het Franse rijk, kwamen er grotere veranderingen; de Franse invloed nam toe. De tweepuntige steek werd vervangen door een sjako, een stijf, hoog hoofddeksel in de vorm van een afgeknotte kegel. De sjako was voorzien van rode vangsnoeren, een zwarte kokarde, een granaat van geel koper en een rood bolvormig versiersel, de zogenaamde pompon. De korte broek werd vervangen door eentje tot net boven de enkels. De Rijdende Artillerie leverde haar huzarenmuts in en ging ook sjako’s dragen, met een rode pluim erop in plaats van de pompon en met het compagnienummer in geelkoper aan de voorkant. Voor in de winter was er een donkerblauw uniform met rode accenten. Trompetters en officieren droegen kleurigere uniformen, voornamelijk met meer rood.

Het personeel dat het geschut vervoerde, was van oudsher een bonte bende. Tot de oprichting van het Wapen der Artillerie waren dit ongeüniformeerde handlangers die werden ingehuurd. Na de oprichting van het wapen was er weliswaar vast personeel, maar dat was nauwelijks geüniformeerd. Een blauwe kiel, wollen overbroek, leren muts en halve laarzen vormde het 'uniform’ van de stuksrijders. In de Bataafse tijd werden de stukrijders al iets beter voorzien; ze kregen een blauwe buis, een blauwe jas en een hoed. Later volgde de blauwe broek met hoge laarzen en de sjako, die was voorzien van een rode pompon, witmetalen plaat en stormbanden. 

  

Op zoek naar het ‘definitieve’ uniform

Luitenant Rijdende Artillerie, ca. 1830 - Klik om te vergrotenToen ons land in 1813 van de Franse overheersing werd verlost, werd er weer een Nederlands leger gevormd, met diverse artillerieonderdelen, waaronder de Artillerie te Voet en de Rijdende Artillerie. Tevens was er de Artillerietrein, die voor het transport van de stukken en het overige materieel zorgde. Bij alle onderdelen werd blauw weer de hoofdkleur. De verschillen tussen de onderdelen zaten voornamelijk in de uitmonsteringen, die van kleur verschilden. Ook de platen op de sjako’s verschilden. 

Toen de Artillerie te Voet mobieler werd en in Veldartillerie transformeerde, kregen de bereden stukrijders grijze, met leer bezette rijbroeken. Ook de onderofficieren en trompetters werden van dergelijke broeken voorzien, alsmede het personeel van de Rijdende Artillerie. Op de sjako verscheen het embleem met de twee gekruiste kanonnen met daarboven de Koninklijke kroon, zoals we dat vandaag de dag nog kennen. De muzikanten van het onderdeel waren in het algemeen wat opzichtiger gekleed. De staftrompetter was het ‘paradepaardje’ van het bataljon. Met zijn kolbak (hoge berenmuts), rode jasje, blauwe uitmonstering en kleurige trompetsnoeren, was hij de trots van de commandant. 

Trompetter bij de veldartillerie, 1828 - Klik om te vergrotenAls het ware zoekende naar het definitieve uniform, werden bijna onophoudelijk kleine en grotere veranderingen doorgevoerd. Enkele voorbeelden: de sjako kreeg een klein achterklepje en de koppelplaat en de patroontas werden voorzien van een springende granaat. Verder werden als zogenaamd klein tenue een donkerblauwe stalbuis, manteljas en stalmuts ingevoerd. Bij de Rijdende Artillerie werd de grijze rijbroek door een donkerblauwe vervangen. Stukrijders maakten een inhaalslag, want met de opheffing van de Artillerietrein in 1823, ging deze op in de Veldartillerie en werd de kleding van de stuksrijders grotendeels gelijkgetrokken met de rest. De veranderingen bleven doorgaan: de sjako werd vervangen door een breder en lager model (het zogenaamde ‘haringtonnetje’) en de grijze kledingstukken bij de Veldartillerie werden vervangen door donkergrijze. Voor de officieren gold normaliter dat ze hetzelfde uniform droegen als de manschappen, maar dan met zwart fluwelen uitmonstering en met verguld metalen onderdelen i.p.v. koperen.

  

Een nieuw tenue voor de Gele Rijders, versobering bij de overige onderdelen

Wachtmeester veldartillerie, 1850 - Klik om te vergrotenNadat Koning Willem II in 1840 de troon had betreden, werden opnieuw veel veranderingen doorgevoerd in de kleding en uitrusting van het leger. Zo werden de donkergrijze kledingstukken door blauwe vervangen en werd de sjako wat hoger (om later stapsgewijs weer lager te worden). De rijbroeken van de veldartilleristen werden vervangen door bijna geheel met leder bezette broeken, hetgeen er bij de onbereden kanonniers wat vreemd uitzag. De officieren bleven zich onderscheiden met zwartfluwelen kragen en gouden accenten. In het algemeen werd de kleding wat soberder, maar dit gold zeer zeker niet voor de Rijdende Artillerie. In 1842 besloot Willem II namelijk tot de invoering van een prachtig nieuw uniform. De koning was in zijn jaren als Prins van Oranje bevelhebber van de Nederlandse troepen geweest, onder andere tijdens de slag bij Waterloo. Hij was toen dusdanig onder de indruk geraakt van de Rijdende Artillerie, dat hij met de invoering van het nieuwe uniform zijn waardering en erkentelijkheid wilde laten blijken voor het onderdeel. 

Het uniform werd gebaseerd op het uniform dat de koning had gedragen tijdens onder andere de slag bij Waterloo. Het wordt tot op heden, in enigszins aangepaste vorm, bij ceremoniële gelegenheden gedragen. Kenmerkend voor het huzarenachtige uniform zijn de dolman, een kort donkerblauw jasje met gele dubbele lissen aan de voorkant, en de kolbak, een van berenvacht vervaardigt hoofddeksel. De gele koorden en lissen op de dolman bezorgden de eenheid de officieuze naam ‘Gele Rijders'. Oorspronkelijk was het leerwerk wit, na 1860 echter zwart. Het zogenaamde kleine tenue was overeenkomstig de andere artillerieonderdelen, waarbij de stalmuts was voorzien van gele biezen, een kwastje en een geborduurde granaat. Voor de onderofficieren en officieren gold voor het kleine tenue een dolman met donkerblauwe tressen en galons en met koperen resp. donkerblauwe knopen. Officieren droegen op de stalmuts een in goud geborduurde granaat op een ondergrond van rood laken.

Talpa uit ca. 1900 - Klik om te vergroten Hoewel er nog regelmatig veranderingen in de kleding van de artilleristen werden doorgevoerd, waren er in de tweede helft van de 19e eeuw weinig opzienbarende ontwikkelingen. Blauw bleef de basiskleur, de sjako bleef de standaard bij onbereden wapens en de kolbak die voor bereden wapens. Een belangrijke verandering kwam in 1895, toen de sjako werd vervangen door de talpa, een laag rond hoofddeksel van zwart zeehondenvel, zonder klep. Het was een onpraktisch ding, dat vanaf 1910 werd vervangen door de donkerblauwe kepie, een kokerachtige pet. In 1905 onderging de kleding een belangrijke modernisering. Officieren kregen toen een tuniek voorzien van één rij knopen, een zwart fluwelen kraag, zwarte biezen, zwarte schouderbedekkingen en een in goud geborduurd artillerie-embleem. Een jaar later werden dergelijke tunieken ook voor de troep ingevoerd; een zwarte voor het grote tenue en een blauwe voor het kleine tenue.

  

Het ‘grijs’ doet zijn intrede in de opmaat naar de Eerste Wereldoorlog

In 1912 werd bij Koninklijk Besluit grijze kleding voor de landmacht vastgesteld. Eerst nog groengrijs, twee jaar later blauwgrijs. Het traditionele uniform van de Gele Rijders bleef gehandhaafd als ceremonieel tenue bij de Rijdende Artillerie, en ook bleef de kolbak gehandhaafd in het veldtenue van de Rijders. Verder werd grijs echter als standaard vastgesteld en er werd bovendien een serie nieuwe hoofddeksels ingevoerd, waaronder de sjako met vóór- en achterklep (het zogenaamde ‘brandemmertje’), de platte (onder)officierspet en het nieuwe model veldmuts. De daadwerkelijke invoering van ‘het grijs’ en de nieuwe hoofddeksels duurde lang. Zeker in de periode 1914-1918 zag men regelmatig combinaties van blauwe en grijze uniformstukken, sommige onderdelen nog met de talpa. Er zat weinig uniformiteit in de uniformen. Zelfs in 1940 waren er bij enkele onderdelen nog blauwe kledingstukken in gebruik.

Onderofficier Nederlandse veldartillerie, mei 1940 - Klik om te vergroten Na de Eerste Wereldoorlog was men, mede door de slechte economische situatie, nauwelijks geneigd om te investeren in personeel en materieel. Er werden dan ook weinig grote veranderingen in de uniformen doorgevoerd. De belangrijkste veranderingen waren dat het ‘brandemmertje’ en de platte pet voor de officieren werden vervangen door de grijze kepie, en dat de officieren en onderofficieren een zwart uniform met zwarte kepie kregen, dat fungeerde als gekleed c.q. ceremonieel tenue. Eind jaren ’30 werd nog geprobeerd om te komen tot praktischere en aantrekkelijkere kleding, maar de Tweede Wereldoorlog gooide roet in het eten. Aparte gevechtskleding had de Koninklijke Landmacht toen nog niet. Tot medio 1940 droeg men het grijze tenue zowel als gevechtskleding als als uitgaanstenue. 

Qua helmen was het wel een periode met vrij veel veranderingen. In ruim tien jaar joeg de landmacht er diverse modellen doorheen, waarvan de in Nederland ontwikkelde helmen M16 en M27 langere tijd werden gebruikt. De M27 werd in 1934 nog enigszins gemodificeerd tot de M34. Tijdens de meidagen van 1940 werden diverse modellen helmen gedragen, o.a. de M16 en de M34.

  

De Britse en Amerikaanse invloeden na de Tweede Wereldoorlog

Nadat het Nederlandse leger in mei 1940 was verslagen, werd het feitelijk ontbonden. Diverse militairen vluchtten naar Engeland, waaronder een aantal artilleristen. In Engeland richtte men de Brigade ‘Prinses Irene’ op, die was bedoeld als Nederlandse bijdrage aan de geallieerde strijdmachten. In 1943 werd de brigade uitgebreid met een batterij Veldartillerie. Het tenue was de Britse ‘battledress’, dat na de Tweede Wereldoorlog het standaard tenue werd van de Nederlandse troepen. Na de Tweede Wereldoorlog werd de landmacht namelijk helemaal opnieuw opgebouwd, naar Brits voorbeeld en met Britse steun. De kledingvoorschriften werden gebaseerd op de Britse kledingvoorschriften en het tenue dat door de Brigade ‘Prinses Irene’ werd gedragen, werd bij de gehele landmacht ingevoerd. Het tenue was wel enigszins aangepast voor wat betreft de onderscheidingstekens. De ‘battledress’ bestond uit een kort kakikleurig jak, een dito lange broek, webbing enkelstukken, een koppel en zwarte halfhoge veterschoenen. Het tenue fungeerde niet alleen als gevechtstenue, maar ook als uitgaanstenue. Afhankelijk van de weersomstandigheden kon het tenue worden aangevuld met bijvoorbeeld een overjas, handschoenen of mouwloos lederen vest. Als helm werd de Britse helm MKIII gedragen. 

Uniform Prinses Irene Brigade uit ca. 1943, Landmachtdagen te Wezep, 2007 - Klik om te vergroten Het embleem van de gekruiste kanonnen met een kroon daarboven keerde terug, voor de Pantserdoelartillerie en Luchtdoelartillerie uitgebreid met een projectiel resp. een horizontale propeller. De baretembleemondergrond was zwart met rode biezen Op de schouderbedekkingen kwamen zeshoekig plaatjes van messing, met daarop de wapenemblemen. Voor de luchtdoelartillerie was dit plaatje achtkantig. 

Na de oprichting van de NATO in 1949, werden de Verenigde Staten de belangrijkste bondgenoot van Nederlanden en de grootste leverancier van materieel. Dit had uiteraard invloed op de uniformen. In 1954 werden de Britse helmen vervangen door een helm van Amerikaans model, de M53, welke ruim vier decennia dienst zou doen. In 1957 startte de vervanging van de halfhoge zwarte veterschoenen door hoge bruine gevechtslaarzen met opgestikte neus. Verder werd in 1958 gestart met de vervanging van de Britse uniformen door een op Amerikaanse modellen geënt gevechtstenue. De invoering verliep geleidelijk; de Britse uniformen werden zo veel mogelijk afgedragen. Het nieuwe gevechtstenue, model M58, had een olijfgroene kleur en bestond o.a. uit een binnenjas en -broek en buitenjas en -broek. Het uniform M58 werd in de wandelgangen ook wel ‘visgraatuniform’ genoemd naar het soort stof van de binnenjas en -broek. Als hoofddeksel fungeerde de legergroene veldpet. De baret werd alleen gedragen bij het nieuwe model geklede tenue, dat bestond uit een zwarte korte jas, broek met rode biezen en pet met de zwartfluwelen band. De baretembleemondergrond met rode biezen bleef gehandhaafd. De talpa keerde terug en werd ingevoerd bij het ceremoniële tenue van de Veldartillerie en het Artillerie Trompetterkorps . 

  

Een nieuw Dagelijks Tenue, de terugkeer van de dolman en een nieuw gevechtstenue

In 1961 werd voor alle militairen van de Koninklijke Landmacht het zogenaamde ‘Dagelijkse Tenue’ (DT) ingevoerd voor gebruik op de kazerne en bij formele gelegenheden. Het bestond uit een donkerbruin jasje, beige broek en stropdas en lichtbeige overhemd. Het geheel werd gecompleteerd met een bruinige baret en de standaard bruine legerkisten c.q. bruine schoenen. 

Ceremoniële tenues Veldartillerie en Rijdende Artillerie, 2002 - Klik om te vergrotenDe uniformiteit in kleding bij de Koninklijke Landmacht was inmiddels geruime tijd dusdanig, dat de artillerie zich alleen nog maar van andere wapens en dienstvakken onderscheidde door de eigen onderscheidingstekens en de eigen ceremoniële kleding. Voor de rest waren de tenues bij de artillerie gelijk aan die van de overige wapens en dienstvakken. Met de heroprichting van de Rijdende Artillerie in 1963, kwam daar enigszins verandering in. De blauwe veldmuts werd namelijk weer van stal gehaald. Deze was nagenoeg van hetzelfde model als die van 1842, maar nu met de gekruiste kannonen met kroon erop geborduurd in plaats van de granaat. De Rijders onderscheidden zich hiermee van de rest, die eerst nog de veldpet als onderdeel van het gevechtstenue droeg, maar nog hetzelfde jaar overstapte op de baret. Voorheen droegen alleen commando’s een baret bij het gevechtstenue. De heroprichting van de Rijdende Artillerie betekende tevens dat het oude ceremoniële tenue weer uit de kast werd gehaald. 

Personeel 41 Afdva C-bt in het 'vlaggetjespak', 1987 - Klik om te vergrotenZoals gezegd, waren de uniformen bij de artillerie hetzelfde als bij de andere wapens en dienstvakken, uitgezonderd de onderscheidingstekens en de ceremoniële kleding, en sinds 1963 dus de stalmuts bij de Rijdende Artillerie. De ceremoniële tenues bij de Veldartillerie en de Rijdende Artillerie zijn tot de dag van vandaag nauwelijks veranderd, waarmee de verdere ontwikkeling van de uniformen, zoals hieronder beschreven, feitelijk de ontwikkeling is van de uniformen bij de Koninklijke Landmacht in het algemeen. 

In de jaren ’70 werden de verouderde gevechtspakken M58 vervangen door aanvankelijk model M76 en niet veel later model M78. Ook bij deze verbeterde pakken vormden een binnenjas en -broek en buitenjas en -broek de basis. De kenmerkende visgraatmotieven waren verdwenen; de stof was glad. Het uniform M78 heette ook wel het ‘vlaggetjespak’, omdat er Nederlandse vlaggetjes op de mouwen gestikt waren. Als helm werd onveranderd het model M53 gebruikt. Inmiddels was het gemeengoed geworden deze met jute te overtrekken, met daarover een netje. Hierin konden takken en bladeren worden gestoken, bij wijze van natuurlijke camouflage. 

  

Het olijfgroen verdwijnt en na vier decennia eindelijk een nieuwe helm

Gele Rijders in desert gevechtstenue in Irak, 2003 - Klik om te vergrotenIn de jaren ’80 werd gestart met de ontwikkeling van een geheel nieuw model gevechtspak ter vervanging van het oude uniform M78. Het zou tot eind jaren ‘90 duren, voordat werd gestart met de invoering van het nieuwe pak. Dit camouflagepak doet momenteel nog steeds dienst. Het materiaal van het pak is zogenaamd Dutch DPM, een Nederlandse variant op het internationaal veelgebruikte onregelmatige camouflagepatroon (Disruptive Pattern Material), opgebouwd uit de kleuren bruin, olijfgroen, kaki en zwart. Dutch DPM wordt ook wel Dutch Woodland genoemd, refererend aan de gematigde heide-, loof- en naaldbosgebieden van Noordwest-Europa, waarvoor het pak bestemd is. In de loop der jaren heeft de Koninklijke Landmacht in het kader van vernieuwing Duitse ‘Flecktarn’ camouflageprint getest, een de vijfkleurig camouflagepatroon van stippen. Deze werd echter afgekeurd vanwege een ‘te agressieve’ uitstraling. Wel is er een camouflagepatroon ingevoerd voor gebruik in woestijnachtige omgevingen, de zogenaamde ‘Desert’ camouflage.

Eveneens in de jaren ’80 werd uitgekeken naar vervanging van de aloude stalen helm M53. Deze was verouderd en kon niet de bescherming en het draagcomfort bieden, die moderne kunststofhelmen wel konden leveren. De keuze viel uiteindelijk op de helm B826 van de Duitse fabrikant Schubert. Deze helm van kevlar, wederom een Amerikaans model, werd in 1992/1993 gebruikt tijdens uitzendingen naar Bosnië en vanaf 1996 over de gehele Koninklijke Landmacht ingevoerd. In Nederland is de helm bekend onder de modelaanduiding M95. De helm is olijfgroen, maar kan met overtrekken een toepasselijk uiterlijk worden gegeven. Zo is er de Woodlandovertrek, de blauwe UN-overtrek et cetera.

Reünie Orkest Artillerie, Veteranendag 2007, Den Haag - Klik om te vergroten In 2003 en 2004 werd voor alle militairen van de Koninklijke Landmacht een nieuw uniform ingevoerd. Dit nieuwe uniform, een Dagelijks Tenue voor gebruik op de kazerne en bij formele gelegenheden, was ontworpen door couturier Frans Molenaar. Het verving het Dagelijks Tenue uit 1961, dat inmiddels als te oncomfortabel en te ouderwets werd bestempeld. Het nieuwe Dagelijks Tenue was een modern pak, gemaakt van moderne materialen, bestaande uit donkergroen jasje, dondergroene broek en stropdas, lichtgroen overhemd en zwarte schoenen.

Aparte vermelding verdient het Reünie Orkest Artillerie (ROA). Dit orkest pikt sinds 2001 de draad van het in 1995 opgeheven Artillerie Trompetterkorps weer op. Het orkest bestaat uit muzikanten van het voormalige Artillerie Trompetterkorps en probeert niet alleen muzikaal, maar ook qua uniformen enige tradities vast te houden. Zo beschikt het orkest onder andere over ceremoniële tenues, zoals die ook door het Artillerie Trompetterkorps werden gebruikt, en de dagelijkse tenues van 1961. Het orkest was in dit oude Dagelijkse Tenue te aanschouwen tijdens onder andere de Veteranendag in 2007 en 2008 in Den Haag. 

Media: 
Klik om te openen Foto's: uniformen van de artillerie

Naar de homepage van 41 AfdVa C-bt 87-1/2Home